Pluimveesector

Omgevingsvergunning of melding Activiteitenbesluit milieubeheer voor uw pluimveehouderij?

De pluimveesector heeft te maken met regels op het gebied van onder meer ammoniak, geur, geluid en fijnstof. Op bedrijven met maximaal 40.000 stuks pluimvee is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. Bij uitbreiding of wijziging kan worden volstaan met een melding bij de gemeente, eventueel voorzien van een aanvraag Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM). Houdt u meer dan 40.000 stuks pluimvee? Dan geldt de vergunningplicht en moet een Omgevingsvergunning milieu worden aangevraagd. Afhankelijk van de uitbreiding is het nodig om voorafgaand aan de aanvraag een aanmeldingsnotitie MER-beoordeling in te dienen. Die aantallen zijn in de onderstaande tabel opgenomen. Bij het wijzigen of oprichten van een nieuwe stal met meer dan 60.000 plaatsen voor hennen of 85.000 plaatsen voor mesthoenders moet een milieueffectrapportage worden opgesteld.

rav pluimvee


IPPC voor de pluimveesector

Voor bedrijven met meer dan 40.000 stuks pluimvee geldt de IPPC-richtlijn. Dit is een Europese richtlijn die extra emissiereducerende maatregelen kan voorschrijven aan een pluimveehouderij. In de aanvraag om Omgevingsvergunning moet beschreven worden op welke manier een bedrijf voldoet aan deze richtlijn. Op grond van de IPPC-richtlijn moeten sinds 2007 alle nieuwe stallen (huisvestingssystemen) voldoen aan de maximale emissiewaarde zoals opgenomen in het Besluit huisvesting.

Besluit huisvesting voor de pluimveesector

Op 1 augustus 2015 is het nieuwe Besluit huisvesting in werking getreden. Voor de pluimveehouderij geldt die niet alleen voor ammoniak, maar ook voor fijnstof. Voor opfokhennen, vleeskuiken-ouderdieren in opfok en voor vleeskalkoenen geldt voor bestaande stallen geen maximale emissiewaarde. Bij aanvragen voor nieuwbouw gelden wel maximale emissiewaarden. De maximale emissiewaarde voor opfokhennen is vastgesteld op 110 gram ammoniak. Dit staat gelijk aan wat in de boerenvolksmond “niveau varia” wordt genoemd, een huisvestingssysteem dat per 1 juli (eindelijk) in de Regeling ammoniak is opgenomen. Vanaf 2020 gaat de norm voor opfokhennen IPPC-bedrijven (bedrijven met meer dan 40.000 stuks pluimvee) naar 51 gram. Ook voor (groot)ouderdieren van vleeskuikens in opfok is een maximale emissiewaarde van 183 gram opgenomen. Voor vleeskalkoenen gaat een maximale emissiewaarde van 490 gram gelden, tot 2020 geldt die eis alleen voor nieuw te bouwen stallen met mechanische ventilatie.

Voor legkippen is de maximale emissiewaarde van 125 gram teruggeschroefd naar 68 gram. Dat betekent in de praktijk dat volièresystemen altijd met beluchting moeten worden uitgevoerd. De maximale emissiewaarde voor vleeskuikens is verlaagd naar 35 gram.

Wat vooral ingrijpend is, is dat voor nieuwe pluimveestallen een maximale emissiewaarde voor fijnstof is opgenomen. Om aan de maximale emissiewaarde te kunnen voldoen moet een pluimveehouderij vaak nog meer aanvullende maatregelen nemen dan dat bijvoorbeeld nodig is voor ammoniak. Bijvoorbeeld bij nieuwbouw voor legkippen in een volièresysteem zal minimaal een warmtewisselaar geïnstalleerd moeten worden en dan ook nog eens een extra grote (1 m3 lucht per dierplaats). Een andere optie is het plaatsen van een droogtunnel. Bij nieuwbouw voor vleeskuikens moet ook minimaal een warmtewisselaar met een capaciteit van 1 m3 lucht per dierplaats geïnstalleerd worden. Voor de relatief kleine sectoren kalkoenen- en vleeseendenhouderij gelden bij nieuwbouw ook maximale emissiewaarden voor fijnstof, zij het tot 2020 alleen bij mechanisch geventileerde stallen.

Natuurbeschermingswet voor de pluimveesector

Voor de pluimveehouderij is de Natuurbeschermingswet van toepassing. Veel bedrijven hebben deze vergunning al aangevraagd, maar er zijn ook veel bedrijven die deze vergunning nog niet hebben. Door het inwerking treden van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is het vaak makkelijker geworden voor pluimveebedrijven om deze vergunning te krijgen. Een van de mogelijkheden is dat rechten kunnen worden ontleend aan de dieren die maximaal zijn gehouden in de periode 2012-2014, en milieuvergund waren op 1 januari 2015. Dit is een mooie basis om een NBW-vergunning aan te vragen en verleend te krijgen.

Regelgeving ruimtelijke ordening voor de pluimveesector

In de meeste bestemmingsplannen worden pluimveehouderijen bestemd als ‘intensieve veehouderij’. De meest bestemmingsplannen kennen voor de intensieve veehouderij maar beperkte uitbreidingsmogelijkheden, of zelfs helemaal geen uitbreidingsmogelijkheden. Uitbreiding van het bouwvlak moet dan vaak via een bestemmingsplanwijziging. Het wijzigen van een bouwvlak kan gepaard gaan met een Plan-MER.

De tendens is dat de intensieve veehouderij, en dus ook de pluimveesector, voor uitbreiding van een bouwvlak (groter dan een bestemmingsplan nu toestaat) een maatschappelijke tegenprestatie moet gaan leveren. De provincie Noord-Brabant heeft daarvoor de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). De provincie Gelderland ontwikkelt daarvoor het Gelderse Plussen Systeem (GPS). Het is niet uitgesloten dat meer provincies dergelijk beleid gaan ontwikkelen.

Uitbreiding pluimveehouderij: bouw en ontwerp van de stal

Wilt u gaan bouwen? Dan is een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Een aanvraag om Omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen voor de pluimveesector, wordt door de gemeente getoetst aan onder andere het bestemmingsplan, het bouwbesluit en de welstandseisen. Het is dus belangrijk dat het bouwwerk voor uw pluimveehouderij aan deze eisen voldoet.

De volgende zaken zijn belangrijk, om te komen tot een goed ontwerp en een goede aanvraag voor uitbreiding van uw pluimveehouderij. Allereerst is het van belang om alle wensen en eisen voor uw bedrijf op een rijtje te zetten. Vervolgens zetten onze bouwkundig tekenaars dit om in een ontwerp. Daarbij zijn zaken zoals de looplijnen op uw bedrijf, indeling van de stal en het type emissiearme stalsysteem belangrijk. Voor de pluimveehouderij is in de loop van de jaren een scala aan emissiearme stalsystemen ontwikkeld. Denkt u daarbij aan de diverse soort volièresystemen, beluchtingssystemen en warmtewisselaars. De keuze voor een bepaald stalsysteem of warmtewisselaar is van allerlei factoren afhankelijk. Het is ons dagelijkse werk om u daarin creatief en praktisch te adviseren. Ook de bouwkosten zijn een belangrijk onderwerp bij het ontwerpen van een gebouw. Door in een vroeg stadium de juiste keuzes te maken kan mogelijk op de bouwkosten worden bespaard. Indien van toepassing houden wij bij het ontwerp rekening met de eisen van de MDV (Maatlat Duurzame Veehouderij) of de subsidieregeling IDS (Integraal Duurzame Stallen) voor de pluimveehouderij.

Hebt u vragen over een van deze onderwerpen? Neem dan contact met ons op. We denken graag met u mee.

Nieuws over Pluimvee
Meer nieuws